De werkelijkheid achter reality-tv

De voorbije weken publiceerde Humo een artikelenreeks die een blik bood achter de schermen van reality-programma’s. Ik was oprecht geschokt door de praktijken die aan het licht werden gebracht. Als voormalig journalist is het principe van woord en wederwoord voor mij uiteraard heilig. Ook de stem van de productiehuizen moet worden gehoord. Maar sinds ik vorige week dinsdag in De Ochtend over dit thema werd geïnterviewd, heb ik tal van getuigenissen ontvangen van betrokkenen, en daarin komen een aantal wanpraktijken telkens opnieuw naar voren, van misbruik van vertrouwen over schending van de privacy tot regelrechte uitbuiting.

Anders dan de naam doet vermoeden, is reality-tv geen televisie die de realiteit in beeld brengt. Het gaat om programma’s die mensen in een gecreëerde en gemanipuleerde omgeving brengen. Een of meerdere wedstrijdelementen in het programma moeten tweedracht en animositeit zaaien en deelnemers in de verleiding brengen om grenzen te overschrijden op fysiek, ethisch, seksueel of welkdanig ander gebied. Het verloop van het verhaal wordt grotendeels gestuurd door de makers, zonder inspraak van de deelnemers, die doorgaans aan handen en voeten gebonden zijn door zeer verregaande contracten.

Dit format geeft aanleiding tot tal van onethische en onwettelijke praktijken. Niet alleen de deelnemers zijn daarvan het slachtoffer, ook medewerkers en andere betrokkenen krijgen ermee af te rekenen. Een voorbeeld uit de vele getuigenissen die ik mocht ontvangen: “Het gaat over een cultuur van afwezigheid van normen. Dat uit zich ook ten aanzien van de locals waar de karavaan van zo’n productie langskomt. Het verzoek aan arme Afrikanen om schaarser gekleed te lopen, om de golfplaten op hun hut te vervangen door bananenbladeren, want het moet er arm uitzien.” Of nog: “Dit gebrek aan ethiek vind je ook terug in de omgang met medewerkers. De verantwoordelijken handelen als slavendrijvers. Alles moet binnen een krap budget en in dat budget wordt de winstmarge voor het bedrijf gemaximaliseerd: veel jonge mensen tegen lage vergoedingen, vaak freelance en indien niet oké, meteen eruit; geen rechten, groot verloop van personeel, jonge mensen met stevige burnout, psychische problemen.”

Ik besef dat ethiek – of het gebrek daaraan – een moeilijke kwestie is om aan te pakken, zeker via politieke weg. Daarom wil ik pleiten voor zelfregulering van de sector door middel van een ‘code of conduct’ of gedragscode. Productiehuizen en omroepen moeten in onderling overleg de grenzen vastleggen van wat kan en niet kan in reality-programma’s. Ik heb er vertrouwen in dat er voldoende bonafide spelers zijn die ervoor kunnen zorgen dat zo een gedragscode een instrument wordt dat binnen de sector afdwingbare regels bepaalt.

Anders is het voor de wanpraktijken die flagrant indruisen tegen de arbeids- en privacywetgeving. Ook die zijn er te over. De contracten die deelnemers moeten tekenen, bevatten bepalingen die hun fundamentele rechten ontnemen. Ook de arbeidsomstandigheden van de medewerkers zijn vaak in strijd met de wet. Een voormalige medewerkster schetste me de werkdruk: “In 2001 kreeg ik als producer 45.000 oude Belgische frank (ongeveer 1115 euro) om zes dagen op zeven te werken en dagen te kloppen van 13 of 14 uur. Als ik recuperatie vroeg werd me de deur gewezen. Want er stonden nog twintig mensen te wachten op me op te volgen.” Wetsovertredingen als deze kunnen en moeten worden bestreden met alle beschikbare rechtsmiddelen.

Het debat over de grenzen van reality-tv is niet nieuw. De voorbije jaren stak het verscheidene malen de kop op, maar telkens ging de storm weer liggen zonder dat er werkelijk iets veranderde. De sector is zeer terughoudend om buitenstaanders een blik achter de schermen te gunnen. Deelnemers zijn gebonden aan zeer verregaande geheimhoudingsclausules. Werknemers durven niet openlijk te getuigen omdat ze bang zijn hun broodwinning te verliezen of noodgedwongen medeplichtig zijn geweest aan laakbare praktijken.

Het gevaar van eenzijdige interpretaties en foute veralgemeningen loert in dit debat steeds om de hoek. Maar de noodzakelijke zin voor nuance mag ons gevoel van verontwaardiging niet in de weg staan. De bestaande wanpraktijken kunnen en mogen niet worden toegelaten in een democratische rechtstaat. Een diepgaand juridisch onderzoek lijkt me op zijn plaats. Daarnaast is ook een breed maatschappelijk debat tot hiertoe afwezig gebleven. Ik wil Vlaanderen hierbij dan ook oproepen om dat debat nu te openen.

Meer aandacht voor sportieve aanleg bij leerlingen basisonderwijs

Vlaams minister Pascal Smet zal met zijn collega Philippe Muyters nagaan op welke manier kinderen in de basisschool beter kunnen worden toegeleid naar sporten waar ze talent en aanleg voor hebben. Dat zei hij in antwoord op een parlementaire vraag die ik hem vandaag stelde in de commissie Onderwijs. Ik pleit ervoor dat de talentdetectie-instrumenten die door onder meer Bloso en de UGent werden ontwikkeld, worden ingezet om sportmoeheid bij kinderen tegen te gaan.

Het Vlaamse sportbeleid is erop gericht om zo veel mogelijk Vlamingen aan het sporten te krijgen. Nu is het vaak zo dat jonge kinderen enthousiast beginnen met een bepaalde sport omdat hun vriendjes diezelfde sport beoefenen. Een aanzienlijk deel van hen raakt echter snel ontmoedigd wanneer blijkt dat ze niet beschikken over het verhoopte talent. Ze haken af en wagen zich vaak niet meer aan een andere sport. Die ‘sportmoeheid’ kan volgens mij ten dele worden vermeden door jonge kinderen beter te adviseren en hen toe te leiden naar een sport waar ze goed in zijn.

De voorbije jaren werden verscheidene projecten op het getouw gezet met betrekking tot sporttalentdetectie. In de periode 2004-2006 was er een project van Bloso. Van 2007 tot 2011 ontwikkelde een team wetenschappers van de UGent het ‘Vlaams Sport Kompas’, een project waarin Vlaanderen meer dan een miljoen euro investeerde. De Vlaamse overheid besteedde veel belastinggeld aan de ontwikkeling van deze detectie-instrumenten. Het lijkt me dan ook niet meer dan logisch dat we ze gebruiken en zo doeltreffend mogelijk aanwenden.

Om zo veel mogelijk kinderen te bereiken, zou het in mijn ogen een goede zaak zijn om de ontwikkelde detectie-instrumenten te gebruiken in de lessen lichamelijke opvoeding in het basisonderwijs. Wanneer we leerkrachten LO aanleren hoe ze kunnen zien voor welke sport leerlingen talent hebben, dan kunnen ze de kinderen gericht doorverwijzen naar die sporten die aansluiten bij hun talenten. Wat je goed kan, doe je meestal ook graag, en op die manier groeien meer sportende kinderen en jongeren op tot sportende volwassenen.

Ik legde mijn voorstel vandaag voor aan minister Smet, bevoegd voor onder meer Onderwijs en Jeugd. Die beaamde dat het onderwijs een rol moet spelen in de doorverwijzing van kinderen naar sporten die aansluiten bij hun talenten en beloofde dat hij met zijn collega Philippe Muyters, minister van Sport, zal nagaan op welke manier de testinstrumenten kunnen worden gebruikt in het basisonderwijs.

Ik sta trouwens niet alleen met mijn pleidooi. In het één-programma ‘Ook getest op mensen’ (aflevering van 25 januari) pleitte professor Matthieu Lenoir (UGent), die als wetenschapper betrokken was bij de ontwikkeling van het Vlaams Sport Kompas, voor de implementatie van dit instrument in de lessen lichamelijk opvoeding van het basisonderwijs. Ik heb deze kwestie vandaag onder de aandacht van de minister gebracht. Ik ben zeer tevreden dat hij mijn inzicht deelt en stappen wil ondernemen, en ik zal dit dossier van zeer nabij blijven volgen.

Werken R4 Zuid starten in maart

Vandaag heeft minister Hilde Crevits het licht op groen gezet voor de aanleg van het ontbrekende stuk van 2,5 km van de ring rond Gent. Begin maart 2012 wordt het officiële startschot van de werken gegeven. Eind 2014 zal de ring rond Gent rond zijn. De Vlaamse overheid investeert ongeveer 90 miljoen euro.

De aanleg van dit ontbrekende stuk weg betekent een aanzienlijke verbetering van de mobiliteit aan de zuidrand van Gent. Ik ben dan ook heel tevreden dat deze werken nu zeer binnenkort zullen worden uitgevoerd. Hieronder geef ik u een beknopt overzicht van het project dat op stapel staat.

R4 Zuid zorgt vlottere en verkeersveiligere mobiliteit
De R4 is een belangrijke verkeersader, zowel voor personenverkeer als voor het economisch verkeer van en naar de haven van Gent, de verschillende stadswijken en de industriezones langs de R4. In wijzerzin vormt de R4 al jaren een gesloten ring. In tegenwijzerzin, aan de buitenring, ontbreekt echter nog steeds een deel tussen Zwijnaarde en Merelbeke over een afstand van zowat 2,5 kilometer.
De R4 zal nu ook in tegenwijzerzin worden vervolledigd. Voor een vlotte en veilige aansluiting op de E17 en de E40 komen er bijkomende en betere op- en afritten. Dat zorgt voor een betere spreiding van het verkeer. Daarnaast wordt het economisch verkeer op een aantal plaatsen gescheiden van het personenverkeer. Het fietsverkeer wordt zo veel mogelijk gescheiden van het gemotoriseerde verkeer.
Dankzij de vervollediging van de R4 Zuid zal het verkeer naar de regio tussen Zwijnaarde en Merelbeke een alternatief krijgen voor de E40. De nieuwe verkeerswisselaar tussen de E40 en de R4 in Merelbeke wordt veiliger en zal het verkeer vlotter laten doorstromen. Het UZ Gent wordt beter bereikbaar dankzij de vernieuwde afrit van de E17. Ook aan het nieuwe Arteveldestadion wordt een vlotte ontsluiting voorzien. De werken in de omgeving van het stadion zullen zoals vooropgesteld klaar zijn in het najaar van 2013.

R4 Zuid gerealiseerd via alternatieve financiering
Het project wordt uitgevoerd via PPS (publiek-private samenwerking) in een DBM+F procedure (Design, Build, Maintain en daar los van de Financiering). Dat wil zeggen dat de private partner niet enkel instaat voor het ontwerpen, het financieren en het bouwen van het project, maar ook voor het onderhoud gedurende 30 jaar. De kostprijs van de investeringen wordt geraamd op ruim 90 miljoen euro.

Geen Cultuurgemeente van Vlaanderen 2014

In 2014 komt er geen ‘Cultuurgemeente van Vlaanderen’ omdat de nodige Vlaamse middelen daarvoor ontbreken. Dat antwoordde minister Joke Schauvliege gisteren op een parlementaire vraag die ik haar stelde in de commissie Cultuur. Aan de titel, die in het kader van het Participatiedecreet in het leven werd geroepen om een stad of gemeente de mogelijkheid te bieden om extra in te zetten op cultuur, is een subsidie verbonden van 400.000 euro. Geld dat niet werd voorzien in de begroting.

In uitvoering van het participatiedecreet duidt de Vlaamse regering tweejaarlijks een gemeente aan die voor de duur van een jaar de titel ‘Cultuurgemeente van Vlaanderen’ mag dragen. Aan die titel is een subsidie van 400.000 euro verbonden die moet worden aangewend voor de uitbouw van het cultuurbeleid van de betrokken gemeente en voor de profilering van de gemeente als Cultuurgemeente van Vlaanderen. Tot hiertoe werden twee gemeenten uitgeroepen tot ‘Cultuurgemeente van Vlaanderen’: de Stad Oostende in 2010 en de Stad Turnhout voor 2012. Deze toekenningen werden nog gedaan door de vorige Vlaamse regering in het voorjaar van 2009. De huidige Vlaamse regering heeft nog geen nieuwe titels toegekend. Er werd geen oproep gelanceerd voor 2014. Ik vroeg minister Schauvliege, bevoegd voor Cultuur, om meer uitleg. De minister antwoordde dat de noodzakelijke financiële middelen ontbreken in de begroting.

Ik stel me ernstige vragen bij de zin van de titel ‘Cultuurgemeente van Vlaanderen’ en de daaraan gekoppelde subsidie. Moet Vlaanderen zo veel geld uittrekken voor de uitvoering van het cultuurbeleid van één stad of gemeente? Heeft de titel voldoende uitstraling in Vlaanderen om een dergelijk groot budget te verantwoorden? Ik denk dat het antwoord op beide vragen negatief is. Mijn kritiek beperkt zich bovendien niet tot de titel van Cultuurgemeente. Ook de tegenhanger ‘Sportgemeente van Vlaanderen’, die eveneens tweejaarlijks wordt uitgekeerd, is weinig doeltreffend. In 2011 werd deze titel toegekend aan Gent, maar de stad is er – ondanks een subsidie van 400.000 euro – niet in geslaagd meer Gentenaars aan het sporten te krijgen. Dat blijkt ook uit de cijfers van de nieuwste Stadsmonitor, waarbij het verschil in graad van sportparticipatie tussen 2008 en 2011 als ‘niet significant’ wordt bestempeld. Ook in zijn opdracht om zich te profileren als Sportstad van Vlaanderen, schoot Gent tekort.

Laat het duidelijk zijn dat ik me helemaal kan vinden in de doelstelling van de Vlaamse regering om sport- en cultuurparticipatie zo veel mogelijk te stimuleren. Ik ben echter van oordeel dat de titels Cultuurgemeente en Sportgemeente van Vlaanderen in hun huidige vorm weinig toegevoegde waarden bieden. Dit lijken me twee uitgavenposten die kunnen worden geschrapt zonder noemenswaardige gevolgen voor de doelstellingen van het Participatiedecreet. Of deze titels in de toekomst opnieuw zullen worden toegekend, zal worden bepaald bij de globale evaluatie van het Participatiedecreet, een oefening die de ministers Schauvliege, Muyters en Smet gezamenlijk zullen maken in de loop van dit jaar. De afschaffing van beide titels zou een flinke besparing betekenen voor de Vlaamse overheid. Ik hoop dat de ministers Schauvliege en Muyters bij de evaluatie van het Participatiedecreet tot dezelfde conclusie zullen komen.

Goed nieuws op nieuwjaarsreceptie Gentse haven

Op 20 januari was ik te gast op de nieuwjaarsreceptie van de Gentse haven. Zoals elk jaar waren er heel veel aanwezigen. Het officiële gedeelte bestond uit een sofagesprek met Christophe Peeters, schepen bevoegd voor de haven en voorzitter van het Havenbedrijf Gent, Daan Schalck, directeur-generaal van het Havenbedrijf Gent, voogdijminister Hilde Crevits en Roger De Croock, voorzitter van de raad van bestuur van de Vereniging van Gentse Havengebonden Ondernemingen. Daarna was er uiteraard tijd voor een informeel gesprek en een drankje.

Minister Crevits bracht goed nieuws voor de Gentse haven. Op maandag 19 maart 2012 zetten Vlaanderen en Nederland de handtekening onder een volgend akkoord over de planstudiefase voor de nieuwe grote zeesluis in Terneuzen. Daarmee komt de bouw van de sluis opnieuw een stap dichterbij. Deze sluis is van kapitaal belang voor de verdere ontwikkeling van de haven van Gent en voor de groei van de havengebonden ondernemingen, en dus ook voor de tewerkstelling en de welvaart in onze streek. Ik volg dit dossier dan ook van dichtbij op in het Vlaams Parlement.

Minister Lieten richt Media-academie op

Tussen Kerstdag en Nieuwjaar kondigde minister Lieten de oprichting aan van een Media-academie. De taak van die academie bestaat erin te zorgen voor bijscholing en talentmanagement in de Vlaamse perssector.

De Media-academie kadert in het langverwachte nieuwe model van steun voor de geschreven pers. In het verleden werden de afspraken over die steun vastgelegd in een protocol tussen de Vlaamse Regering en de Vlaamse geschreven perssector. In juni 2010 heeft de minister het laatste protocol, dat dateerde van 2008, opgezegd. Nu is er dus een nieuw model ontwikkeld, in de vorm van de Media-academie.

Ik juich toe dat de Vlaamse regering investeert in de kwaliteit van de journalistiek in Vlaanderen. Toch wil ik ook dit nieuwe model kritisch onder de loep nemen. Daarom stelde ik de minister in de commissie Media van 17 januari de volgende vragen:
1) Om welke redenen heeft u het systeem van opleidingssteun via protocols stopgezet?
2) Wat waren de voornaamste bemerkingen van de koepelverenigingen, de VVJ en de andere stakeholders op het voormalige systeem van steun via protocols?
3) Op welke manier zal het nieuwe model volgens u een verbetering vormen tegenover het voorgaande?
4) In welke mate beantwoordt het nieuwe model aan de visie van de koepelverenigingen, de VVJ en de stakeholders? Op welke punten bent u hen niet gevolgd?
5) Wanneer en op welke manier zal het nieuwe model worden geëvalueerd?
6) U zegt dat u in dialoog wilt treden met de audiovisuele sector, en dus ook met de regionale zenders, om te kijken of de opleidingsondersteuning ook naar hen kan worden uitgebreid. Op welke manier pakt u dat aan? Kan de toegekende financiële steun worden verhoogd indien ook de audiovisuele perssector in het nieuwe model stapt?

Het voorlopige verslag van de behandeling in de commissie vindt u hier.

Beste wensen voor 2012

2011 was op vele vlakken een bewogen jaar, ook politiek. Het is aan ons, de politici, om in 2012 opnieuw het vertrouwen van de Vlamingen te winnen.

Laten we ook dit jaar niet vergeten hoe belangrijk het is voldoende tijd te maken voor hen die we liefhebben. Ik wens u en uw dierbaren een jaar van voorspoed en geluk toe!

Hartelijke groeten,

Veli Yüksel

Stadsmonitor: nog werk aan de winkel in Gent

81,1% van de Gentenaars is fier op zijn stad. Dat blijkt uit de Stadsmonitor 2011, een lijvig document ontwikkeld in opdracht van de Vlaamse regering, waarin de 13 Vlaamse centrumsteden worden vergeleken op basis van zowat 160 indicatoren.

Gent is inderdaad een stad om fier op te zijn, want onze Arteveldestad kan heel wat mooie resultaten voorleggen. Toch zijn er ook verscheidene domeinen waar nog veel werk aan de winkel is. Zo krijgt 42,2% van de Gentenaars regelmatig te maken met geluidsoverlast. 32,2% ondervindt geregeld last van sluikstorten. Ook wat kinderopvang betreft, zijn de cijfers niet rooskleurig: van de kinderen tussen 0 en 3 jaar kan bijna 63% niet terecht in de voorschoolse opvang. Opmerkelijk is ook dat iets minder dan de helft van de Gentenaars zegt vertrouwen te hebben in het stadsbestuur.

Voor iedereen die met stedenbeleid bezig is, is de Stadsmonitor een bijzonder waardevol instrument. De komende weken en maanden zal ik met de minister en mijn collega’s in de commissie voor Woonbeleid, Stedelijk Beleid en Energie het debat voeren over de manier waarop de resultaten zullen worden vertaald in het beleid van de Vlaamse overheid.

Meer informatie over de Stadsmonitor 2011 en de resultaten voor elk van de centrumsteden vindt u hier.

CD&V-gespreksavond met Karel Van Eetvelt

Op donderdagavond 1 december luisterde CD&V Gent naar de mening en de wensen van de Gentse handelaars in een boeiende gespreksavond met de heer Karel Van Eetvelt, gedelegeerd bestuurder van UNIZO.
Ik had het genoegen om de avond en de gastspreker te mogen inleiden. Hieronder vindt u mijn toespraak.

Dames en heren,
Beste handelaars en ondernemers,

Ik heb het genoegen u welkom te heten op deze avond over ondernemen in Gent, georganiseerd door CD&V Gent. Middenstanders klagen en zagen altijd; een middenstander die niet klaagt is per definitie niet goed bezig, luidt het cliché. Maar soms hebben ze gelijk om te klagen, en ik ga u straks een aantal voorbeelden daarvan geven.

Wij willen vanavond vooral luisteren, eerst naar Karel Van Eetvelt, gedelegeerd bestuurder van UNIZO, en uiteraard naar u allemaal om samen te bepalen wat we kunnen doen om onze geliefde Arteveldestad nog aantrekkelijker te maken voor onze kleine ondernemers en handelaars.

Een stevig en duurzaam stadsweefsel vereist immers een gezonde middenstand en een goed ondernemersklimaat. De middenstand maakt onze stad economisch welvarend en zorgt ervoor dat Gent een aangename plek is om te wonen en leven, waar je op wandel- of fietsafstand alles vindt wat je nodig hebt.

De ondernemers, en met name de handelaars, vormen ook het uithangbord van onze stad. Ze vormen een essentieel element van de aantrekkingskracht die Gent heeft op shoppers, toeristen en dagjesmensen. Winkels en horecazaken, en we bevinden ons er middenin, zorgen ervoor dat deze mensen graag naar onze stad komen en blijven terugkomen. Vorig jaar waren er bijvoorbeeld 800.000 toeristenovernachtingen. Dat is een stijging van 10 % tegenover 2009. De helft daarvan zijn Belgen en Nederlanders.

Maar de Gentse handelaars-ondernemers hebben het niet altijd onder de markt. Ze worden geconfronteerd met allerlei problemen. Uiteraard is er de zware economische crisis, nu een stadsbestuur kan daar weinig aan doen. Maar wat het bestuur wel kan doen, is ervoor zorgen dat alle noodzakelijke randvoorwaarden worden geschapen opdat u in de beste omstandigheden kunt ondernemen en handel drijven. En die waaier van voorwaarden is zeer breed, van ruimte over bereikbaarheid, veiligheid, fiscaliteit tot administratieve vereenvoudiging.

Dames en heren,
Als we naar onze stad kijken dan zien we dat die voorwaarden lang niet altijd vervuld zijn. Verscheidene grootschalige bouwprojecten blijven aanslepen en zorgen voor allerlei vormen van ongemak: vuil, lawaai, verkeers -en bereikbaarheidsproblemen. Sinds enkele weken is het Project Vrijdagmarkt hervat, nadat het meer dan een jaar stil lag. De communicatie met de handelaars uit de buurt laat veel te wensen over.

Ook het Kobra-project zorgt voor veel overlast. Zo moesten de handelaars van de Donkersteeg zich verenigen om hun straat uit het slop te trekken. Door de Kobrawerken aan beide uiteinden van de straat kan nauwelijks nog iemand de winkelwandelstraat door, wat zorgde voor een aanzienlijk inkomensverlies. Het stadsbestuur deed weinig of niets, waardoor de handelaars zelf het initiatief namen. De handelsdekenij van de Veldstraat gewaagde van ‘prutswerk’ toen de stad zich genoodzaakt zag om een deel van de drukke winkelstraat opnieuw open te breken omdat de stenen van de trambedding in de Veldstraat niet goed aangelegd werden.

Ook bij wegwerkzaamheden wordt vaak onvoldoende rekening gehouden met de bereikbaarheid van de handelaars. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de aanleg van fietspaden, zoals de verhoogde fietspaden langs de Antwerpsesteenweg, waarbij parkeerplaatsen zullen sneuvelen. Lokale handelaars sloegen de handen in elkaar om zich hiertegen te verzetten. CD&V Gent is met de betrokken handelaars gaan praten en heeft hun vragen en bezorgdheden aangekaart bij het kabinet van Vlaams minister van mobiliteit Crevits.

Een doordacht parkeerbeleid is uiteraard ook belangrijk om ervoor te zorgen dat de handelaars in de stad voldoende bereikbaar zijn voor hun klanten. Het Gentse stadsbestuur pakte onlangs uit met 15 minuten gratis parkeren, het zogenoemde ‘pistoletkwartiertje’, waar de handelaars al lange tijd vragende partij voor waren. Nu, ere wie ere toekomt, dat is een voorstel dat door CD&V al in 1996 op tafel werd gelegd bij de opmaak van het mobiliteitsplan, maar toen door deze paarse meerderheid werd weggestemd. We zijn als partij uiteraard blij dat onze voorstellen alsnog worden opgepikt door de meerderheid.

Bepaalde delen van onze stad kreunen onder verloedering. Dat is niet alleen het geval in de rand van de stad, zoals in de Brugse Poort of Nieuw Gent, maar ook dichter bij het stadscentrum. De Overpoortstraat bijvoorbeeld kampt met zwerfvuil, wildplakken van affiches en langdurige leegstand van verschillende panden. De Vlaanderenstraat lijdt onder de aanhoudende overlast van de vlakbij gelegen prostitutiebuurt. Handelaars en horeca-uitbaters klagen dat er na zonsondergang een grimmige sfeer heerst, waardoor mensen wegblijven.

Ook op administratief vlak moet aan meer ondernemingsvriendelijkheid worden gewerkt. De gemeente moet snel duidelijkheid geven over het al dan niet verlenen van een bouwvergunning. Ook milieubeleid heeft op lokaal vlak een invloed op ondernemingen. Sinds 2005 is er een maximumtarief ingesteld voor het rioleringstarief, een vergoeding voor de aanleg en het onderhoud van rioleringen. Dit maximumtarief, vastgelegd op 1,4 keer het bovengemeentelijk tarief voor zuivering van het afvalwater, wordt in de meeste gemeenten aangerekend.

Beste handelaars,
Dit zijn slechts enkele voorbeelden van zaken die mislopen. Uiteraard is het niet allemaal kommer en kwel in onze stad. Maar er is zeker ruimte voor verbetering. En daar willen wij ons als partij hard voor inzetten. Deze avond kadert in de actie ‘De toekomst luistert’. Onze partij wil luisteren naar de mensen en met hen in dialoog gaan om samen de toekomst voor te bereiden. De problemen waarmee we zitten en uitdagingen waarvoor we staan, vragen om creatieve oplossingen.

Ik ben ervan overtuigd dat we hier vanavond samen een aantal oplossingen zullen kunnen aandragen. Uw suggesties zullen we grondig bekijken en uitwerken in ons programma voor de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2012. Op die manier zullen we de kiezer een doordacht en breed gedragen economisch programma voorleggen. Alvast van harte dank voor uw steun.

Ik wil hier ook het bestuur van CD&V Gent bedanken voor het initiatief om handelaars en ondernemers samen te brengen en ook onze bewegingscoördinator Joke bedanken voor de logistieke ondersteuning.

Dan geef ik nu het woord aan onze eminente gastspreker, de gedelegeerd bestuurder van Unizo, Karel Van Eetvelt.

Graag uw applaus.

 

Wie ligt er wakker van de stad?

“Historisch bekeken zijn de steden een bakermat van creativiteit, van vernieuwing, van verandering. Het tij is echter gekeerd; de glorie is verschraald. Vooral de grote steden worden vandaag geassocieerd met allerlei onheil.” Zo begon de eerste beleidsbrief van Leo Peeters (sp.a), de allereerste Vlaamse minister bevoegd voor Stedelijk Beleid. Vandaag, zestien jaar later, verklaart minister Van den Bossche de glorie terug van weggeweest. Aan het begin van haar nieuwste beleidsbrief stelt ze: “Steden inspireren. Als motors van vernieuwing.”

Wie enkel afgaat op de toon van de beleidsbrieven, zou geneigd zijn te geloven dat onze Vlaamse steden de voorbije jaren onherkenbaar zijn veranderd, en dat het Vlaamse stedenbeleid erin geslaagd is antwoorden te formuleren op de vele kwesties waar stedelingen van wakker liggen. Maar niets is minder waar. De stedelijke problemen als armoede, achterstelling, verloedering en stadsvlucht die Leo Peeters in zijn beleidsbrief analyseert, zijn ook nu nog aan de orde. Het beleid van de voorbije jaren heeft blijkbaar weinig zoden aan de dijk gezet.

Gebrek aan visie
Ook minister Van den Bossche slaagt er niet in een vuist te maken. Nochtans geeft haar voorgeschiedenis in de Gentse politiek haar een voetje voor op haar voorgangers (Peeters, Sauwens, Van Grembergen en Keulen), die geen van allen uit een stad afkomstig zijn. Haar beleidsbrieven lezen echter als een litanie van ‘opvolgen’, ‘ondersteunen’ en ‘meewerken’. Ze bouwt voort op bestaande initiatieven maar zet zelf geen nieuwe bakens uit. We staan mijlenver af van het beginsel uit de eerste nieuwsbrief van Peeters: “De minister bevoegd voor stedelijk beleid staat in voor de samenhang van de gevoerde acties. Het initiatiefrecht berust bij de minister voor stedelijk beleid.”

Door een gebrek aan visie is het Vlaamse stedenbeleid in de loop der jaren verengd tot een debat over centen: hoe wordt het Vlaamse geld van het Stedenfonds (voor 2012 zowat 137 miljoen euro) verdeeld over de 13 centrumsteden en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) in Brussel? Omdat steden geen eilanden zijn en het beleid in de steden zich ook daarbuiten laat voelen, is de sfeer van ‘concurrentie’ die ook nu nog heerst tussen steden en landelijke gemeenten kortzichtig en contraproductief. De landelijke gemeenten zijn vaak van oordeel dat er te veel Vlaams geld naar de steden gaat, maar vergeten daarbij dat ook zij belang hebben bij een doeltreffend en duurzaam stedenbeleid. Een bruisende stad maakt bijvoorbeeld ook de omliggende gemeenten aantrekkelijker. Beide partijen moeten streven naar samenwerking, en ook daar is een belangrijke rol weggelegd voor de minister van Steden.

Integraal beleid
Het idee van een ‘horizontaal’ of ‘integraal’ stedenbeleid is niet nieuw. Het duikt al jarenlang op in allerlei Vlaamse beleidsdocumenten. In de praktijk blijft het tot op vandaag echter grotendeels dode letter. Opvallend is dat de eerste Vlaamse minister voor Steden, Leo Peeters, wel zeer resoluut de kaart trok van een integraal stedenbeleid, in die mate zelfs dat hij ervoor pleitte dat het niet zou ingesloten worden in een apart beleidsdomein. Peeters was niet bang om collega’s voor de voeten te lopen, legde voor tal van andere Vlaamse bevoegdheidsdomeinen, gaande van arbeid over huisvesting tot cultuur en toerisme, de doorsneden met het stedenbeleid bloot en deed ook op die gebieden beleidsvoorstellen.

Minister Van den Bossche schuift de ‘integralisering’ van het stedenbeleid wel naar voor maar blijft steeds bijzonder op de vlakte. Van het voornemen om de beleidsdocumenten van haar collega’s te toetsen op ‘stadsgevoeligheid’ is vooralsnog weinig in huis gekomen. Van een echte horizontale benadering, zoals bijvoorbeeld minister Vandeurzen dat doet voor Welzijn, is helaas geen sprake.

In Vlaanderen wonen vandaag meer dan 1,5 miljoen mensen in een grootstad of in een centrumstad. Dat is bijna een kwart van de Vlaamse bevolking. De verstedelijking in Vlaanderen blijft toenemen. Vlaanderen kent een aanhoudende suburbanisatiedruk met een toenemende verstedelijking van het platteland als gevolg, zo zegt ook de studiedienst van de Vlaamse regering. Zeker naar internationale maatstaven kan Vlaanderen beschouwd worden als een dicht netwerk van vele stedelijke centra.

Onze Vlaamse steden worden geconfronteerd met enorme uitdagingen die de leefbaarheid in die steden onder druk zetten. Het is dan ook hoog tijd dat beleidsmakers in Vlaanderen hun provincialistische kijk vervangen door een vrije, creatieve en stedelijke blik op Vlaanderen. Er moet een duidelijke langetermijnvisie worden ontwikkeld, een geïntegreerd Vlaams Stedenbeleidsplan dat alle bevoegdheidsdomeinen beslaat.

Het Vlaamse Parlement trekt nauwelijks aan de kar. Het telt maar weinig leden met bestuurservaring in een grote stad, en de enkelen die er zetelen, leggen hun gewicht niet in de schaal. Ik zet me reeds twee jaar in om de stad op de politieke agenda te plaatsen, maar tot mijn grote verbazing moet ik vaststellen dat deze kwestie de collega’s uit andere partijen maar weinig beroert. Daarom roep ik mijn collega-stedelingen in het parlement op om samen een ambitieus toekomstverhaal voor de steden te schrijven.

Voor alle duidelijkheid; ik vraag niet om meer geld, maar om een breed gedragen visie over de stad van de toekomst. De politieke partijen moeten van de stedelijke uitdagingen en het stedenbeleid dringend een speerpunt maken. Anders hebben we straks geen antwoord op de problemen van de stad van morgen. We moeten daarbij steeds het volgende uitgangspunt voor ogen houden: enkel als het goed gaat met de Vlaamse Steden, gaat het goed met Vlaanderen!